Verloren in Verlangen

En daar, zomaar ineens, staat ze voor me. In haar witte jurk met de rozenkrans om haar handen.
Haar lange haren speels in de wind. Ze lacht en knikt naar mij. Ze rent door het hoge gras, en plukt bloemen die ze in een krans om haar hoofd legt. Dan zwaait ze. Ik word rustig van binnen. Ik wil naar haar toe rennen. Haar aanraken. Knuffelen. Zeggen hoeveel ik van haar hou. Smeken nooit meer weg te gaan.
Als ik mijn ogen opendoe schuif ik terug naar mijn deel van het bed en kijk naar de plek waar jij in je pyjamaatje altijd naast me lag wanneer je niet kon slapen. Waar je lachend nog even een boekje aan mij voorlas.

Overdag word ik getroost. Mijn tranen vinden een schouder. Al wisselt de eigenaar van de schouder, langzaam word ik sterker. Ik draai naar het lege kussen. Wrijf met mijn hand over de onbeslapen plek. ‘Lieve meid, als de seizoenen eroverheen zijn, wordt het anders’, hoor ik mijn oma zeggen. Ik negeer de boodschap. Ik kan het nog niet aan. Met beide handen pak ik het kussen beet en druk het stevig tegen mijn borst. De pijn snijdt in mijn hart. Er zullen momenten komen dat ik je vergeet. Soms betrap ik mij op die momenten die nog zo onvergeeflijk aanvoelen. Momenten die ik wil koesteren, omdat het goed is verder te gaan.

Mijn tranen vloeien als ik naar jouw foto op het nachtkastje kijk. Blauwe ogen lijken mij hoopvol aan te kijken vanuit de donkere achtergrond. Via het openstaande raam fladdert een vlinder naar binnen. Verwonderd kijk ik hoe het landt op de rand van het fotolijst. Een diepe rust valt op mij neer. Langzaam durf ik mezelf toe te staan het kussen los te laten. Ik bekijk het wat van geen kwaad bewust lijkt te zijn. De vlinder fladdert op en verdwijnt door het raam naar buiten. Ik volg zijn weg en als ik mijn hoofd naar buiten steek, waar de zon mijn gezicht verwarmt en de wind een briesje over mijn gezicht laat gaan, hoor ik hoe jouw fotolijst met een harde klap in duizend stukjes glas op de grond valt.