Tango

Tango

Het is namiddag als ik met mijn mannen anno 1850, de haven van Buenos Aires bereik. Na een vermoeiende reis blijkt dat ik zeer bedrogen uitkom in de armoedige havenstad van Argentinië. De stad die de gouden droom van ons Europeanen waar zou moeten maken, blijkt enkel armoede en werklozen te bezitten. De trossen van het zeilschip maak ik vast aan de dichtbij zijnde bolder.

De avond is gevallen en in de straten klinkt muziek bij het branden van de lantaarns. Stoere liederen zingend trek ik samen met de andere zeemanslieden nieuwsgierig naar het vertier. Achter mij klinken de messen in een gemeend spel tegen de vijandigheid van de lokale bevolking. Plaatselijke compadres maken passen op de maat van de muziek.

De muziek, die klopt als een hart, ritmisch in een vierkwartsmaat. Een milonquita wenkt mij. Gewillig schuift haar hand over mijn borst richting mijn hart, en even voor de mijne daar is, is de hare alweer verdwenen. Haar adem klinkt zacht en sensueel in mijn oor. Met een ferme blik kijk ik haar aan, mijn hand raakt haar hand, tot ze mijn hoofd wegduwt en haar hand langzaam afglijd tot het midden van mijn rug. Vastgehouden door de hoge concentratie van het liefdesspel volg ik gefascineerd haar stappen op de maat van de muziek. Volgzaam geeft ze zich over aan mij, de dronkaard. Haar passen lief, de mijne afgewend en agressief. Gracieus volgt ze op de bal van haar voet. De muziek van de bandoneon laait op. Een krachtig majestueus gevoel laat ons dansen door de straten. Het schouwspel van de Argentijnse tango presenteert zich nog één maal.