De Wind

Ik ben omgeven door de kracht van de natuur. Hij zo mysterieus, zo krachtig, zo sterk. Onzichtbaar, ontastbaar, maar zo aanwezig. Ik kan hem, enkel als de liefde alleen maar voelen. Hij is mijn vrijheid op een zomerse dag. Hij speelt met mijn haren, waait door mijn gedachten en neemt mijn zorgen mee. We dansen op het Noordzeestrand. Ik hou van hem, met zijn frisse kijk op de wereld. Sterk genoeg om de geur van jasmijn mee te laten voeren. Hij droogt mijn bruine huid met aangeplakt zand. In volledige stilte kijken we naar de zon, die langzaam neergaat in de zee.

Als ik het strand verlaat, hoor ik jouw woei door de duinen en is de lucht wild met bladeren. Met ritselende geluiden ben jij het steuntje in mijn rug. Jij, verraderlijke oproer van de natuur. Je kijkt me straf en ongenaakbaar aan. Ik zet een ferme tred. En als ik over de duinen kijk, zie ik hoe je de rotsen slijpt in de woeste zee. Je trekt aan en in jouw woede, vind ik mijn ware richting.

Wie wind zaait, zal de winterstorm oogsten. Je frisheid verandert in guur, en ik schuil waar jij me niet vind. Ik kan je niet controleren, maar ik kan mijn zeilen sturen. En dan is jouw woede, na de lente vaak niet meer dan een veertje in de lucht. En laat ik je stilletjes wegblazen, tot jij je rust hebt gevonden, in mijn lievelingsseizoen.