De Muur

Het is een middag in de nazomer. Ik wandel over een paadje tussen de bomen en voel hoe de grond onder mijn voeten meeveert door het naaldenbosgrond. De zon doet haar best haar stralen krachtig tussen de naaldbomen door te laten zien. Stofjes dansen voor mijn ogen in het licht van de zon. Zachtjes ruist de wind tussen de bladeren door van de loofbomen die zich tussen de naaldbomen hebben verzamelt.

Ik kijk naar de glooiingen die het bos rijk is. Aan de zijkant van het pad zie ik een stronk van wat ooit een boom is geweest. Het is begroeit met mos en een varen siert de stronk op. Ik geniet van de rust die het bos mij brengt die ik naast de hectiek van het dagelijks leven zo hard nodig heb. Ik adem de geur van dennenbomen in en een vogel maakt de middag compleet met een intermezzo.

Genietend van de natuur om mijn heen nader ik het einde van mijn pad en hou abrupt halt midden op een kruispunt. Ik bekijk de verschillende mogelijkheden.
Links zie ik een breed zandpad met aan weerszijden struiken en hoge naaldbomen. Een pad met een open doel. Ik weet waar het toe leidt. Rechts van mij zie ik hoe het pad steeds smaller wordt en al kronkelend tussen de struiken verdwijnt. Het avontuurlijke pad, geschikt voor de momenten als ik me wil verstoppen onder allerlei excuses.

Onveranderlijk vervolg ik mijn pad. Een bospad met loofbomen die een poort van bladeren vormen. Hoe ver ik ook kijk, ik kan het einde niet zien. Even vraag ik mij af of ik niet beter het avontuurlijke pad had kunnen kiezen, of het pad waar van ik kon zien waar het naar toe leidde. In heel mijn twijfel bots ik ergens tegenaan. Een enorme muur belemmerd mijn pad. Vol verbazing kijk ik naar de muur die ik niet eerder opgemerkt had. Grote grijze stenen vormen een massa in de bosrijke omgeving. Totaal misplaatst. Ik loop een stukje terug mijn pad af en bekijk de enorme muur van een afstand. Het gevaarte is kolossaal. Aan weerszijden zijn geen mogelijkheden te zien waardoor ik om de muur heen zou kunnen lopen. Ik zou eroverheen moeten als ik mijn pad wil vervolgen. Ik bekijk de muur eens goed en zie hoe vingerhoedskruid tegen de muur omhoog groeit.

Op de muur zit een meisje. Haar lange haren vallen over haar schouders. Ze schommelt haar voetjes heen en weer. De zon schijnt net langs haar gezichtje waardoor ik alleen een silhouet kan zien. Het meisje trekt mijn aandacht en als ik dichterbij kom hoor ik hoe ze haar liedje neuriet. Vrolijk kijkt ze de wereld in. Ik kijk naar haar ogen, opvallend zuiver, een oogopslag zo lieflijk.
‘Hoi’ zegt het meisje. Even houden haar beentjes halt. Doordringend kijkt ze mij aan.
‘Je doet het goed’, zegt ze, en haar beentjes schommelen weer vrolijk verder.
‘Dank je wel’ zeg ik gevleid. ‘Ik zou graag verder willen maar deze muur staat in de weg’.
‘Dat klopt’ zegt ze. Het is nogal een gevaarte vind je niet?’
Zachtjes knik ik.
Ik neem afstand van de muur om te kijken of er nergens een deur zit waar ik ongezien doorheen kan glippen. Maar zowel rechts als links zie ik alleen maar gestapelde stenen.
‘Dit is het einde van jouw werkelijkheid’ zegt ze.
‘Kun jij zien wat er achter de muur ligt?’ vraag ik haar.
‘Tuurlijk’, zegt ze, daarom zit ik op de muur en kan ik in de verte kijken’.
“Wil je het mij vertellen?” vraag ik.
Wat daarachter ligt is jouw onwerkelijkheid’ zegt ze.
‘Mijn onwerkelijkheid?’ vraag ik. ‘Kun je vertellen of het mooi is en of het de moeite waard is?’
‘Zonder te weten hoe het eruit ziet, zou je erheen willen, of vind je het ook goed als je blijft waar je nu bent? vraagt ze.

Even denk ik na. In de werkelijkheid is alles vertrouwt. Ik ken mijn verdriet, mijn eenzaamheid, mijn spaarzame leuke momenten en ik weet hoe ik er mee om moet gaan. Ik kan mij staande houden in alles wat inmiddels allang verleden tijd is. Al zal ik nooit nieuwe dingen meemaken als ik altijd blijf daar waar mijn werkelijkheid ligt.

‘Hoe kan ik erheen als alles wat daarachter ligt onwerkelijkheid is?’
‘Dan moet je vertrouwen hebben dat de werkelijkheid zoals die nu is jouw verleden is. En als je vertrouwen creëert in alles wat nu nog voor je ligt, wat voor jou onwerkelijkheid lijkt, kun jij daar je toekomst mee vullen’.

‘Wat zou je wensen’ vraagt het meisje?
‘Dat ik nieuwe dingen mee ga maken, waar ik mij gelukkiger door ga voelen dan dat ik mij ooit heb gevoeld. Dat de zon feller in mijn gezicht schijnt en ik elke dag kan genieten van mooie bloemen om me heen. Dat angst en teleurstellingen geen onderdeel meer zijn van mijn leven en ik vrij ben’.
Het meisje staat op en tuurt de verte in van de onwerkelijkheid. Dan draait ze om en komt ze weer voor mij op de rand zitten.
‘Je moet het verleden achter je laten en geloven dat alles mogelijk is voor je verder kunt’.
‘Dat is goed’ zeg ik. ‘Mag ik nu over de muur heen?’
‘Tuurlijk, als jij gelooft dat alles mogelijk is, mag jij over de muur’.
‘Is er ergens een trap”, vraag ik?
Het meisje begint haar liedje te neuriën. ‘Je zoekt naar oplossingen uit jouw werkelijkheid’, zegt ze. ‘Geven die een opstap naar de onwerkelijkheid?’ Ze neuriet verder.

Ik loop naar de meidoorn die uitbundig tegen de muur bloeit. ‘Alles kan werkelijkheid worden als ik erin geloof’, zeg ik zacht. De meidoorn begint te bewegen, takken vouwen zich open. Eerst beginnen de onderste stammen zich horizontaal te vormen, dan de middelste en uiteindelijk doen ook de jonge scheuten bovenin mee. ‘Alles is mogelijk als ik er maar in geloof’, zeg ik nog een keer en stap voorzichtig op de onderste trede van de meidoorn, gevolgd door de volgende tot ik op de muur sta. Nog even kijk ik terug. Naar alles wat geweest is en ooit mijn werkelijkheid was. Ik draai me om en kijk recht in de zon die verblindend in mijn ogen schijnt en maak een grote sprong mijn onwerkelijkheid in.