Koffers vol oud zeer

Daar staan ze. In de gang op de deurmat. Ik kijk naar twee koffers die afgeladen vol zitten met oud zeer. Klaar om definitief afscheid van te nemen. Vol met waarheden die geen waarheid meer zijn. Vervlogen overtuigingen die mij niet meer passen. Met leren riemen wordt de inhoud, opgevouwen op het bloemetjes patroon van de binnenbekleding van de koffer, bij elkaar gehouden. Zorgvuldig heb ik je ingepakt. Wat er rest is afscheid nemen van iets wat al weg is. In duizend stukken viel het kapot op de grond. Waar ik kon wilde ik mijn overtuigingen lijmen, maar barsten blijven zichtbaar. Daar kan geen mens meer wat aan doen. Het blijft zoals het is, de tijd is aan verandering onderhevig en ik moet mee. Alles wat ik zie blijkt anders te zijn, niets is meer wat het lijkt. Situaties werden uitgepakt, zelfs van hun inpakpapier ontdaan, om te laten zien wat eronder zit. Keuze op keuze boot zich aan en ik vocht voor bevrijding. Het leven nam een andere wending, weer anders dan dat ik dacht dat het zou nemen.

Ik kijk naar jou, de koffers van mijn verleden. Er is veel gebeurd. Alles is gepakt in goede gedachten van herinneringen. Er is geen spijt. Ik heb hard gewerkt om tot hier te komen. Ik kijk naar je met een rand van doorleefd verdriet, het verhaal wat ik aan jou koppelde. Ik dacht dat het de waarheid was. Ik beleefde de momenten van het loslaten. Het niet weten hoe ik verder moest zonder jou, je dreef mij vaak in paniek. Je liet mij zinloos analyseren, soms maanden lang, wetende dat het uiteindelijk geen antwoorden brengt. Ik heb gesmeekt of je wilde blijven, maar zelfs ontsnappen uit de wangedachte bleek onmogelijk. Ik koos nooit echt voor mezelf. Ik wilde het goeddoen voor jou, op de hoop dat je bleef. Mijn keuze lijkt bijna definitief. Nog even en de koffers zijn weg

Ik kijk naar een kleine vintage koffertje. Je ligt losjes in mijn hand. Voorzichtig zet ik je op de grond. Ik draai aan het cijferslot en het koffertje spring open. Ik vind een bosje bloemen met daaronder mijn nieuwe authentieke zelf. Voorzichtig haal ik het uit de koffer. Ze is rechtvaardig en eist haar bestaansrecht op in een ongekende kracht. Energiek, enthousiast en vol kracht wil het uit liefde leven. Verleden en heden bestaan niet meer als je leeft in het nu. Straks dat is voor later. Ik ga verder op de weg zoals mijn hart dat het liefste wenst, in de volledige vrijheid van het leven met de zo min mogelijke angst van het kwijtraken van wat er nooit echt is geweest.

Verloren in Verlangen

En daar, zomaar ineens, staat ze voor me. In haar witte jurk met de rozenkrans om haar handen.
Haar lange haren speels in de wind. Ze lacht en knikt naar mij. Ze rent door het hoge gras, en plukt bloemen die ze in een krans om haar hoofd legt. Dan zwaait ze. Ik word rustig van binnen. Ik wil naar haar toe rennen. Haar aanraken. Knuffelen. Zeggen hoeveel ik van haar hou. Smeken nooit meer weg te gaan.
Als ik mijn ogen opendoe schuif ik terug naar mijn deel van het bed en kijk naar de plek waar jij in je pyjamaatje altijd naast me lag wanneer je niet kon slapen. Waar je lachend nog even een boekje aan mij voorlas.

Overdag word ik getroost. Mijn tranen vinden een schouder. Al wisselt de eigenaar van de schouder, langzaam word ik sterker. Ik draai naar het lege kussen. Wrijf met mijn hand over de onbeslapen plek. ‘Lieve meid, als de seizoenen eroverheen zijn, wordt het anders’, hoor ik mijn oma zeggen. Ik negeer de boodschap. Ik kan het nog niet aan. Met beide handen pak ik het kussen beet en druk het stevig tegen mijn borst. De pijn snijdt in mijn hart. Er zullen momenten komen dat ik je vergeet. Soms betrap ik mij op die momenten die nog zo onvergeeflijk aanvoelen. Momenten die ik wil koesteren, omdat het goed is verder te gaan.

Mijn tranen vloeien als ik naar jouw foto op het nachtkastje kijk. Blauwe ogen lijken mij hoopvol aan te kijken vanuit de donkere achtergrond. Via het openstaande raam fladdert een vlinder naar binnen. Verwonderd kijk ik hoe het landt op de rand van het fotolijst. Een diepe rust valt op mij neer. Langzaam durf ik mezelf toe te staan het kussen los te laten. Ik bekijk het wat van geen kwaad bewust lijkt te zijn. De vlinder fladdert op en verdwijnt door het raam naar buiten. Ik volg zijn weg en als ik mijn hoofd naar buiten steek, waar de zon mijn gezicht verwarmt en de wind een briesje over mijn gezicht laat gaan, hoor ik hoe jouw fotolijst met een harde klap in duizend stukjes glas op de grond valt.

De Muur

Het is een middag in de nazomer. Ik wandel over een paadje tussen de bomen en voel hoe de grond onder mijn voeten meeveert door het naaldenbosgrond. De zon doet haar best haar stralen krachtig tussen de naaldbomen door te laten zien. Stofjes dansen voor mijn ogen in het licht van de zon. Zachtjes ruist de wind tussen de bladeren door van de loofbomen die zich tussen de naaldbomen hebben verzamelt.

Ik kijk naar de glooiingen die het bos rijk is. Aan de zijkant van het pad zie ik een stronk van wat ooit een boom is geweest. Het is begroeit met mos en een varen siert de stronk op. Ik geniet van de rust die het bos mij brengt die ik naast de hectiek van het dagelijks leven zo hard nodig heb. Ik adem de geur van dennenbomen in en een vogel maakt de middag compleet met een intermezzo.

Genietend van de natuur om mijn heen nader ik het einde van mijn pad en hou abrupt halt midden op een kruispunt. Ik bekijk de verschillende mogelijkheden.
Links zie ik een breed zandpad met aan weerszijden struiken en hoge naaldbomen. Een pad met een open doel. Ik weet waar het toe leidt. Rechts van mij zie ik hoe het pad steeds smaller wordt en al kronkelend tussen de struiken verdwijnt. Het avontuurlijke pad, geschikt voor de momenten als ik me wil verstoppen onder allerlei excuses.

Onveranderlijk vervolg ik mijn pad. Een bospad met loofbomen die een poort van bladeren vormen. Hoe ver ik ook kijk, ik kan het einde niet zien. Even vraag ik mij af of ik niet beter het avontuurlijke pad had kunnen kiezen, of het pad waar van ik kon zien waar het naar toe leidde. In heel mijn twijfel bots ik ergens tegenaan. Een enorme muur belemmerd mijn pad. Vol verbazing kijk ik naar de muur die ik niet eerder opgemerkt had. Grote grijze stenen vormen een massa in de bosrijke omgeving. Totaal misplaatst. Ik loop een stukje terug mijn pad af en bekijk de enorme muur van een afstand. Het gevaarte is kolossaal. Aan weerszijden zijn geen mogelijkheden te zien waardoor ik om de muur heen zou kunnen lopen. Ik zou eroverheen moeten als ik mijn pad wil vervolgen. Ik bekijk de muur eens goed en zie hoe vingerhoedskruid tegen de muur omhoog groeit.

Op de muur zit een meisje. Haar lange haren vallen over haar schouders. Ze schommelt haar voetjes heen en weer. De zon schijnt net langs haar gezichtje waardoor ik alleen een silhouet kan zien. Het meisje trekt mijn aandacht en als ik dichterbij kom hoor ik hoe ze haar liedje neuriet. Vrolijk kijkt ze de wereld in. Ik kijk naar haar ogen, opvallend zuiver, een oogopslag zo lieflijk.
‘Hoi’ zegt het meisje. Even houden haar beentjes halt. Doordringend kijkt ze mij aan.
‘Je doet het goed’, zegt ze, en haar beentjes schommelen weer vrolijk verder.
‘Dank je wel’ zeg ik gevleid. ‘Ik zou graag verder willen maar deze muur staat in de weg’.
‘Dat klopt’ zegt ze. Het is nogal een gevaarte vind je niet?’
Zachtjes knik ik.
Ik neem afstand van de muur om te kijken of er nergens een deur zit waar ik ongezien doorheen kan glippen. Maar zowel rechts als links zie ik alleen maar gestapelde stenen.
‘Dit is het einde van jouw werkelijkheid’ zegt ze.
‘Kun jij zien wat er achter de muur ligt?’ vraag ik haar.
‘Tuurlijk’, zegt ze, daarom zit ik op de muur en kan ik in de verte kijken’.
“Wil je het mij vertellen?” vraag ik.
Wat daarachter ligt is jouw onwerkelijkheid’ zegt ze.
‘Mijn onwerkelijkheid?’ vraag ik. ‘Kun je vertellen of het mooi is en of het de moeite waard is?’
‘Zonder te weten hoe het eruit ziet, zou je erheen willen, of vind je het ook goed als je blijft waar je nu bent? vraagt ze.

Even denk ik na. In de werkelijkheid is alles vertrouwt. Ik ken mijn verdriet, mijn eenzaamheid, mijn spaarzame leuke momenten en ik weet hoe ik er mee om moet gaan. Ik kan mij staande houden in alles wat inmiddels allang verleden tijd is. Al zal ik nooit nieuwe dingen meemaken als ik altijd blijf daar waar mijn werkelijkheid ligt.

‘Hoe kan ik erheen als alles wat daarachter ligt onwerkelijkheid is?’
‘Dan moet je vertrouwen hebben dat de werkelijkheid zoals die nu is jouw verleden is. En als je vertrouwen creëert in alles wat nu nog voor je ligt, wat voor jou onwerkelijkheid lijkt, kun jij daar je toekomst mee vullen’.

‘Wat zou je wensen’ vraagt het meisje?
‘Dat ik nieuwe dingen mee ga maken, waar ik mij gelukkiger door ga voelen dan dat ik mij ooit heb gevoeld. Dat de zon feller in mijn gezicht schijnt en ik elke dag kan genieten van mooie bloemen om me heen. Dat angst en teleurstellingen geen onderdeel meer zijn van mijn leven en ik vrij ben’.
Het meisje staat op en tuurt de verte in van de onwerkelijkheid. Dan draait ze om en komt ze weer voor mij op de rand zitten.
‘Je moet het verleden achter je laten en geloven dat alles mogelijk is voor je verder kunt’.
‘Dat is goed’ zeg ik. ‘Mag ik nu over de muur heen?’
‘Tuurlijk, als jij gelooft dat alles mogelijk is, mag jij over de muur’.
‘Is er ergens een trap”, vraag ik?
Het meisje begint haar liedje te neuriën. ‘Je zoekt naar oplossingen uit jouw werkelijkheid’, zegt ze. ‘Geven die een opstap naar de onwerkelijkheid?’ Ze neuriet verder.

Ik loop naar de meidoorn die uitbundig tegen de muur bloeit. ‘Alles kan werkelijkheid worden als ik erin geloof’, zeg ik zacht. De meidoorn begint te bewegen, takken vouwen zich open. Eerst beginnen de onderste stammen zich horizontaal te vormen, dan de middelste en uiteindelijk doen ook de jonge scheuten bovenin mee. ‘Alles is mogelijk als ik er maar in geloof’, zeg ik nog een keer en stap voorzichtig op de onderste trede van de meidoorn, gevolgd door de volgende tot ik op de muur sta. Nog even kijk ik terug. Naar alles wat geweest is en ooit mijn werkelijkheid was. Ik draai me om en kijk recht in de zon die verblindend in mijn ogen schijnt en maak een grote sprong mijn onwerkelijkheid in.

Ik zal je een geheim vertellen

Haar aanraking was zacht als zijde, speels en onverwacht. Haar hand, mij meenemend, in haar wereld. Als een vlinder fladdert ze, zo zuiver en zo puur. Zij kent geen lagen van weerstand en onzuiverheid. Ze betovert en laat anderen betoveren, dat alles op haar eigen manier. Ze weet alles, zonder het te weten. Ze deelt met mij, niets is haar bezit. Haar wereld is groot en kleurrijk maar kent geen verdeling van religie en continent. Ze is de hemel, de blauwe lucht. Zij kent geen hel. Vrij en onbezonnen, geheel ongeremd. Zij is de vrijheid, zonder ook maar een beoordeling met zich mee te dragen. Ze lacht me tegemoet, danst en zingt haar lied en maakt de dingen die alleen zij kan maken. Zij kent de ongekende mogelijkheden en alles is beschikbaar door creatief te denken. Enkel alleen zoals zij dat kan. Haar uitstraling is als de zon. De twinkeling in haar ogen vult mijn moederhart met liefde. Onvoorwaardelijk houd ze meer van mij dan wie dan ook. Nimmer zal ze mij laten staan. Ze geniet van de mooiste verhalen, haar leven is als een sprookje en verwachtingsvol geloven we alles. Zij is de spiegel voor de maatschappij, en vertelt ons waar we de vrijheid van leven verstopt hebben.